top of page

Interview met Hilde Vandermeeren

 

“De mens achter het boek; wie is dat eigenlijk en waarom heeft die dat geschreven. Wie is de mens daarachter? Ik vind dat zelf ook interessant. Mocht het zijn dat u een bepaald woord niet begrijpt of zo, mag u dat gerust zeggen”. Met deze tekst begint Hilde Vandermeeren om haar interviewer uit Nederland op zijn gemak te stellen. Haar Vlaamse tongval klinkt prachtig en is heel goed verstaanbaar. We zitten in haar huis in België (in de provincie West-Vlaanderen) aan een grote eettafel. Aan de achterkant is alles van glas en kijkt uit over een mooie tuin. We drinken koffie. Als ik opmerk dat zij als Belgische, een Nederlandse uitgever heeft met een Nederlandse redactie, legt ze dat graag aan me uit.

 

“Ik schreef ook voor kinder- en jeugdboeken al een soort standaardtaal. Dat was vaak ook met een Nederlandse redactie. Voor mij maakt dat niet zoveel verschil uit. In 2013 verscheen mijn eerste thriller bij uitgeverij Q. Dat verschil tussen Nederland en Vlaanderen speelt eigenlijk niet. Je moet vooral een goed boek maken. Dat voel ik ook zo met hart en ziel.”

 

“Ik ben opgegroeid in Wielsbeke en in Waregem naar school gegaan. Tijdens mijn schooltijd had ik al interesse voor wetenschap. Maar ook in de mens, de menselijke geest. Op mijn 18e heb ik lang getwijfeld tussen de studies biologie of psychologie. Het is het laatste geworden, 5 jaar in Leuven. Heel interessant. Maar dan ben je afgestudeerd en wat ga je doen met dat diploma? Je kon tijdens het laatste jaar wat extra bij leren zodat je kon lesgeven. Dat heb ik toen gedaan. Vervolgens 14 jaar gewerkt als docent in het secundair onderwijs, afdeling beroepsonderwijs: richting Verzorging en Kinderzorg. Dat vak heet daar Omgangskunde. Echt wel psychologie, maar heel gericht op de praktijk van de leerlingen. Mijn man is ook psycholoog; we hebben elkaar ontmoet tijdens de studie in Leuven. Inmiddels zijn we 24 jaar getrouwd. Twee psychologen samen [lacht]. We hebben 2 dochters, inmiddels 19 en 21 jaar. Dan is het zoeken naar de balans: werk, gezin en schrijven. In 2006 nam ik de beslissing om me alleen met schrijven bezig te houden, om daar mijn beroep van te maken. Mijn vaste benoeming in het onderwijs heb ik toen opgegeven. Ik heb daar geen spijt van. Ik schreef jeugdboeken en tevens voor de kinderkrant. De leeftijdsgroep daar is tussen de 10 en 14 jaar. Die combinatie maakte dat ik van mijn pen kon leven. Sinds 2013 schrijf ik ook voor volwassenen, thrillers. Die onafhankelijkheid is heel fijn. Maar die heeft ook een keerzijde. Soms bekruipt je de schrik dat er niks moet gebeuren met je hoofd of zo. Als zelfstandig auteur ben je wel kwetsbaar. Daar denk ik soms aan. Veel mensen zeggen vaak: ah schrijver zijn, dat is tof. Ja, inderdaad, maar je moet wel de wil hebben om op die stoel te blijven zitten. De ene dag heb je de drive, een andere dag niet zo. Naast inspiratie heb je een heleboel discipline nodig. Mijn kinderen (19 en 21) zijn beide ‘op kot’, dat wil zeggen dat ze op kamers wonen en studeren in Gent. Dat geeft mij de mogelijkheid om veel tijd aan mijn schrijven te besteden. Mijn gewone werkdag ziet er als volgt uit. Ik sta om 7 uur op. Dan koffie, krant en ontbijt. Snel daarna zit ik aan mijn bureau. Ach, daar wou u een foto van maken, nee! [kijkt verschrikt en lacht hard]. Dat is helemaal rommelig. Dat is niks voor een foto.”

 

“Ik ben echt een ochtend schrijver. Eerst lezen wat ik de vorige dag geschreven heb om daar weer in te komen. Ik zit in het verhaal en laat daarna mijn pen de vrije loop; of toetsenbord beter gezegd. Niet alles ligt van tevoren voor 100% vast. Als er een interessante gedachte komt, laat maar komen. Soms komt er een heel personage bij. Dat mag erin. Ik schrijf vrij korte hoofdstukken van tussen de 1000 en 1500 woorden. Tijdens het schrijven wil ik eigenlijk niet gestoord worden. Met zo’n hoofdstuk ben ik dan in de voormiddag meestal klaar. Ik krabbel dan in klad in een paar zinnen neer wat er kan gebeuren in het volgende hoofdstuk. Dan stop ik en besteed de middag aan administratie, de kinderkrant of wat huishoudelijke zaken. Ook doe ik mijn research het liefst ’s middags. Ik heb zo’n 9 maanden nodig per boek. Dat is een beetje de globale lijn.”

 

Als ik vraag waarom London de locatie was van haar onlangs bekroonde boek, ‘Schemerzone’, komt er een heel duidelijk en verrassend antwoord.

 

“Meestal is de locatie van mijn boeken niet precies bepaald. Dat was al zo in al de 45 jeugdboeken die ik heb geschreven. Dat vind ik prettig, want het verhaal kan zich overal afspelen; het kan overal gebeuren. Bij ‘Schemerzone’ was dat anders. De grondgedachte voor dat boek was een stukje uit het nieuws. Een zakenvrouw uit New York stapte op het vliegtuig naar Zuid-Afrika en postte vlak voor haar vertrek een heel domme tweed. Die ging vervolgens viraal en toen ze geland was, had de hele wereld er al van gehoord. Dat heeft haar geruïneerd. Dat raakte mij. Daar wou ik over schrijven. Niet dat verhaal van die vrouw; ik wou iets anders doen. Toen dacht ik, ok wat als mijn hoofdpersoon iets heeft waardoor de lezer (en de hoofdpersoon zelf) niet zeker weet of ze zelf een bericht met verstrekkende gevolgen heeft verstuurd. Toen kwam ik op narcolepsie. Dan ben je op sommige momenten machteloos. Op een bepaald moment doet ze ook handelingen waarvan ze niet zeker weet óf ze die wel gedaan heeft. Daardoor gaat ze aan zichzelf twijfelen. Dat vond ik zo intrigerend. En dan kom ik op de vraag: waarom London? De sensatiepers in Engeland is verschrikkelijk. Daar worden mensen veel sterker dan hier openlijk aan de schandpaal genageld. Wat ze daar tonen aan privébeelden is heel erg. Mensen kunnen daar echt kapot gemaakt worden. Dat wou ik ook in mijn verhaal leggen. Vervolgens zijn we naar London gegaan voor de research. Waar woont mijn hoofdpersoon? Waar werkt ze? Ik wou daar zelf lopen en de sfeer voelen. Hier loopt ze ’s avonds, hoe ruikt het daar, wat zie je? Zo kom ik erop dat ik mijn idee, mijn verhaal, het beste daar kan uitwerken. Vandaar London. Mijn boeken zijn allemaal stand alone verhalen; dat geeft mij de vrijheid. Maar ook dat ik telkens bij elk nieuw boek met een leeg blad, een leeg scherm begin. Dat is niet te onderschatten.”

 

Hilde lacht hartelijk, net als de interviewer. Onmiddellijk komt de hond erbij staan. Lag deze eerst rustig in de mand, zodra er gelachen wordt wil ze delen in de gezelligheid en laat zich uitgebreid aaien. Hilde: “Die hond voelt dat het okay is en wil niks missen.” Vervolgens hebben we het over haar overstap naar het thriller genre. Ik complimenteer haar met de lovende kritieken en de vele prijzen die ze ontvangen heeft.

 

“De overstap van kinderliteratuur naar de volwassenen was best een lastige. Ik had al zo veel boeken geschreven, maar ik wist: dat is geen garantie. De meeste volwassenen kenden mij niet. Een nieuw publiek. Ik had het gevoel dat ik me nog meer moest bewijzen dan een debutant; dat ik moest laten zien dat ik niet was blijven steken in de kinderboeken. Ik vind dat ook zeker niet minder of zoiets, maar het is gewoon voor een andere doelgroep. Dan komen die prijzen en mooie kritieken. Dat is vooral heel motiverend. Ook mailtjes van lezers die vertellen dat ze van mijn boek genoten hebben en uitkijken naar meer zijn zo waardevol! De lezers beseffen soms niet dat een dergelijk bericht een katalysator is voor een auteur. Nu komt mijn nieuwe boek eraan, “Pas op voor de buren”. Zodra het in print is, kan je niets meer veranderen en moet je het loslaten. Dan komen de reacties los. Iedereen kan dat dan lezen. Iedereen kan daar iets over schrijven. Dat is altijd spannend. Altijd dat gevoel van: wat heb ik nu gedaan?”

 

interviewer: ”Voel je je dan kwetsbaar?”

 

“Ja, enorm! Bij ieder creatief beroep kun je te maken krijgen met negatieve recensies. Dat hoort erbij. Maar ik vind de manier waarop dat gezegd wordt wel heel belangrijk. Een beetje relativeren heb ik inmiddels geleerd. Maar gelukkig zijn de reacties voor mij meestal positief. Een schrijver die ik graag lees is de Britse misdaadauteur Belinda Bauer, dat is mijn favoriet. Het is een breed palet waar mijn aandacht naar uit gaat. De samenwerking met mijn uitgever is heel prettig. Goede redactie ook. Bij een nieuw boek stuur ik de eerste pak ‘m beet, 30 pagina’s op. Daar krijg ik een puur inhoudelijke feed back op. Dan komen er teksten terug van: ja, dat zit goed; spannend etc. Dat is motiverend ook. [lacht hartelijk samen met interviewer] En aan het eind staat er dan iets in de trend van: dit of dit kan beter. Zo gaat dat over en weer per mail. In het najaar zien we elkaar persoonlijk in Antwerpen om samen met de uitgever en redactrice het volledige manuscript te bespreken. Tegen eind januari heb ik hun inhoudelijke opmerkingen allemaal verwerkt. Daarna komen de rondes op taal. Zo komt elk jaar in mei een nieuw boek van me uit. Ik geniet van het schrijven. Ik heb geen lijstje met allerlei dingen die ik zou willen doen, zoals bergbeklimmen of wat dan ook. Dat hoeft voor mij allemaal niet. De eenvoud en rust vind ik van grote waarde. In een drukke maatschappij vind ik het een luxe om in alle rust te kunnen schrijven.”

 

Dank je wel, Hilde, voor dit boeiende interview.

 

Roelant de By

bottom of page